Het glazuren met zout is een oude techniek om keramisch materiaal waterdicht te maken. Vroeger werd bijna alles wat bewaard of vervoerd moest worden, in stenen potten of kruiken gedaan. Deze moesten dus sterk en waterdicht zijn. Eén van de methoden om dit te bereiken was (en is) het glazuren met zout.

Zout wordt bij temperaturen tussen 1100 en 1200 graden Celsius in de oven gebracht. Het natrium uit het zout gaat een verbinding aan met de kwarts uit de klei en vormt dan een glasachtig laagje op het keramisch produkt. Omdat het zout door de over dwarrelt en met de vlammen (gasoven of houtoven) wordt meegevoerd, vormt zich niet overal tegelijk glazuur. Bovendien wordt er gedurende een bepaalde tijd reductief gestookt, d.w.z. dat de toevoer van zuurstof wordt verminderd waardoor ook de moleculair-gebonden zuurstof uit de klei vrijkomt. Dit geeft kleurveranderingen van de klei en de gekleurde oxydes, die op de klei zijn aangebracht ter decoratie.

Het is een tamelijk arbeidsintensieve en primitrieve manier van stoken, maar daar staat tegenoverdat de verrassende en soms schitterende resultaten verkregen door temperatuur, reductie, zout, toeval en het spel der vlammen, alle inspanningen doen vergeten, als de oven wordt geopend.

In mijn zelfgebouwde, met gasgestookte zoutoven (type pyroclaaf) wordt het zout in kleine potjes tussen de werkstukken geplaatst. De klei die ik gebruik is meestal Duitse steengoedklei, al dan niet vermengd met Franse grès. De werkstukken worden ingekrast en bewerkt met ingekleurde slibs.

Bij het inladen van een zoutoven worden de ovenplaten en het stapelmateriaal gecoat met een mengsel van aluminiumoxyde met water en eventueel kaolin, het zout zou er anders voor zorgen dat alles aan elkaar vast gebakken wordt. Ook tussen de deksel en pot moet men een coating aanbrengen, zodat de onderdelen na het stoken nog open kunnen! Het stookproces duurt circa 7 tot 8 uur, waarna de oven 10 tot 15 uur moet afkoelen.